Schaaknotatie: zo schrijf je een schaakpartij op
Met schaaknotatie schrijf je elke zet op met de letter van het stuk en de naam van het vakje waar het naartoe gaat: Pf3 betekent paard naar f3. Zo leg je een partij vast om hem later na te spelen, en kun je de zetten in boeken en op websites volgen. Deze notatie met letters voor de stukken en namen voor de vakjes heet ook de algebraïsche notatie.
De vakjes: van a1 tot h8
De naam van een vakje is een letter met daarachter een cijfer. De letter geeft de lijn en het cijfer de rij: e4 is het vakje waar de e-lijn de vierde rij kruist. De rijen worden altijd vanaf de kant van wit geteld, ook als je met zwart speelt, dus rij 1 ligt bij wit en rij 8 bij zwart. Zo heeft elk van de 64 vakjes een eigen naam, van a1 linksonder bij wit tot h8 rechtsboven. Wit begint op rij 1 en 2, zwart op rij 7 en 8. Voor zwart lopen de letters van rechts naar links: de a-lijn ligt aan zijn rechterkant.
Welke letter hoort bij welk schaakstuk?
Elk stuk krijgt de hoofdletter van zijn naam. Alleen de pion heeft geen letter: een zet zonder letter is dus altijd een pionzet.
| Stuk | Nederlands | Engels |
|---|---|---|
| Koning | K | K (king) |
| Dame | D | Q (queen) |
| Toren | T | R (rook) |
| Loper | L | B (bishop) |
| Paard | P | N (knight) |
| Pion | geen letter | geen letter |
In boeken voor een internationaal publiek staan vaak kleine tekeningetjes van de stukken in plaats van letters. Zo kan iedereen de zetten lezen, in welke taal hij ook schaakt.
Zo noteer je een zet
Je schrijft de letter van het stuk en het vakje waar het naartoe gaat, zonder spatie ertussen. Pf3 betekent: een paard gaat naar f3. Lc4 is een loper naar c4. Bij een pion schrijf je alleen het vakje: e4 betekent een pion naar e4.
De zetten krijgen een nummer per paar: eerst de zet van wit, dan die van zwart. 1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 betekent dus: wit speelt e4, zwart e5, wit Pf3 en zwart Pc6. Wil je alleen een zet van zwart noemen, dan zet je drie puntjes op de plek van de witte zet: 2. ... Pc6.
Wat als twee stukken naar hetzelfde vakje kunnen?
Dan schrijf je erbij welk van de twee het is. Staan ze op dezelfde rij, dan noem je de lijn waar het stuk vandaan komt: met paarden op g1 en e1 is Pgf3 het paard van g1 en Pef3 het paard van e1. Staan ze op dezelfde lijn, dan noem je het cijfer van de rij: met paarden op g5 en g1 schrijf je P5f3 of P1f3.
Slaan, schaak en mat noteren
| Teken | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| x | slaan | Lxe5: de loper slaat op e5 |
| x na een kleine letter | slaan met een pion, met de lijn waar de pion vandaan komt | dxe5: de pion van de d-lijn slaat op e5 |
| + | schaak | De3+ |
| # of ++ | mat | Dxf7# |
| e.p. | en passant slaan | exd6 e.p. |
| (=) | remise aangeboden | Kb1 (=) |
De x, de +, de # en e.p. zijn niet verplicht: Lxe5 mag je ook als Le5 opschrijven. Slaat een pion, dan is de lijn waar hij vandaan komt wel verplicht. Let op het verschil tussen Dxe7 en dxe7: met een hoofdletter slaat de dame, met een kleine letter een pion van de d-lijn.
Rokeren, promotie en de uitslag
Rokeren noteer je met nullen: 0-0 is de korte rokade, met de toren van h1 of h8, en 0-0-0 is de lange rokade, met de toren van a1 of a8. Hoe rokeren werkt, staat bij de schaken regels.
Bij promotie schrijf je de pionzet en direct daarachter de letter van het nieuwe stuk: d8D is een pion die op d8 een dame wordt, exf8P een pion die op f8 slaat en een paard wordt.
Aan het eind schrijf je de uitslag: 1-0 als wit wint, 0-1 als zwart wint en ½-½ bij remise.
Voorbeeld: het herdersmat in notatie
Zo ziet een korte partij eruit op papier: 1. e4 e5 2. Lc4 Pc6 3. Dh5 Pf6 4. Dxf7# 1-0. Zet voor zet:
| Zet | Wit | Zwart | Wat er gebeurt |
|---|---|---|---|
| 1 | e4 | e5 | Allebei een pion 2 vakjes naar voren, naar e4 en e5. |
| 2 | Lc4 | Pc6 | De witte loper gaat van f1 naar c4, het zwarte paard van b8 naar c6. |
| 3 | Dh5 | Pf6 | De witte dame gaat naar h5, het andere zwarte paard naar f6. |
| 4 | Dxf7# | De dame slaat de pion op f7 en zet mat. Wit wint: 1-0. |
Waarom dit mat is en hoe je het voorkomt, lees je bij schaakmat in 4 zetten: het herdersmat.
Korte en lange notatie
Wat hierboven staat, is de korte notatie: alleen het vakje waar het stuk naartoe gaat. In de lange notatie schrijf je ook het vakje waar het vandaan komt, bijvoorbeeld e2e4 of Pg1f3, vaak met een streepje ertussen: e2-e4. Dan zie je in één oogopslag welk stuk er beweegt. Allebei zijn toegestaan.
Schaaknotatie in het Engels
In het Engels werkt de notatie precies hetzelfde, alleen de letters verschillen: K voor king, Q voor queen, R voor rook, B voor bishop en N voor knight. Pf3 wordt dan Nf3 en Dh5 wordt Qh5. Schaakprogramma's en schaakwebsites bewaren partijen meestal als PGN, een gewoon tekstbestand met de korte notatie en de Engelse letters.
Zie je in een oud Engels schaakboek zetten als P-K4, dan is dat de beschrijvende notatie. Speelt wit P-K4, dan is dat in de gewone notatie e4. Bij zwart betekent P-K4 e5, want elke speler telt daar de rijen vanaf zijn eigen kant.
Wat betekenen ! en ? achter een zet?
| Teken | Betekenis |
|---|---|
| ! | sterke zet |
| !! | zeer sterke zet |
| !? | interessante zet |
| ?! | twijfelachtige zet |
| ? | slechte zet |
| ?? | blunder |
Die tekens zijn het oordeel van wie de partij bespreekt, geen deel van de zet zelf. Je ziet ze vooral in boeken en in uitleg bij partijen.
Moet je noteren bij een wedstrijd?
Bij een wedstrijdpartij met lange bedenktijd wel: elke speler schrijft zijn eigen zetten en die van zijn tegenstander op, zet voor zet, in deze notatie. Alleen wie minder dan 5 minuten op de klok heeft en er niet minstens 30 seconden per zet bij krijgt, hoeft dat voor de rest van die speelperiode niet. Bij rapid- en snelschaak hoeft het niet, en thuis ook niet. Toch is het handig: zo kun je een mooie partij later naspelen.
Oefenen met notatie
Lees een partij met een bord voor je: zet de stukken in de beginopstelling uit de schaken regels en doe elke zet na. Een goede eerste oefening zijn de korte matpartijen bij schaakmat zetten. Een bord met stukken om op te oefenen is ons schaakbord met 32 speelstukken, 3D-geprint in Den Haag.


